Sri Lanka varieert van een vruchtbaar laagland in het zuidwesten tot droge vlakten in het noorden, oosten en zuiden, tot zelfs woestijnachtige gebieden aan toe. In 1881 was nog 84% van Sri Lanka met bossen bedekt, in 2002 gedaald tot 19%. Het centrale gedeelte van het eiland is bergachtig en wordt door diepe valleien doorsneden. Hier ligt een aantal bergtoppen, waarvan de Pidurutalagala of Mount Pedro met 2524 meter de hoogste is. Andere hoge toppen zijn de Kirigalpotta (2394 m), de Totapalakanda (2356 m) en de heilge Sri Pada (Samanalakanda) of Adam’s Peak (2243 m). De kuststrook is over het algemeen regelmatig en vlak, maar op sommige plaatsen liggen voor de kust eilandjes, lagunen, koraalriffen en baaien. De kustvlakten zijn in het zuiden smaller (50-60 km) dan in het noorden. Het uiterste noorden van Sri Lanka wordt gevormd door het schiereiland Jaffna, dat omringd wordt door een aantal eilanden. Het schiereiland wordt door een smalle zandbank, de Elephant Pass, verbonden met de rest van het eiland.